In navolging van de landelijke en gemeentelijke politiek stelt nu ook GroenLinks vraagtekens bij haar visie op het volkshuisvestingsbeleid. Moet de overheid blijven reguleren, of kan de markt het vraagstuk beter oplossen. Vincent Smit over voorheen heilige huisjes.

In navolging van de landelijke en gemeentelijke politiek stelt nu ook GroenLinks vraagtekens bij haar visie op het volkshuisvestingsbeleid. Moet de overheid blijven reguleren, of kan de markt het vraagstuk beter oplossen. Vincent Smit over voorheen heilige huisjes.

In navolging van de landelijke en gemeentelijke politiek stelt nu ook GroenLinks vraagtekens bij haar visie op het volkshuisvestingsbeleid. Moet de overheid blijven reguleren, of kan de markt het vraagstuk beter oplossen. Vincent Smit over voorheen heilige huisjes.

In de discussie over volkshuisvesting zet GroenLinks Breda drie scenario's tegenover elkaar. De vrije markt-variant, de minder vergaande visie van de gemeente Breda en de eigen GroenLinks visie.

Vrije markt
In een vrije markt moet het marktmechanisme haar gang kunnen gaan. Dus indien de overheid niet ingrijpt, komt er vanzelf een nieuw evenwicht tot stand. Mooi, maar daarmee is de kous niet af. Zo is er een ecologische opdracht. Het beslag op niet-vernieuwbare voorraden en energiebronnen moet worden beperkt. Ook is het van belang te voorkomen dat woningen en woonmilieus een snelle functionele veroudering doormaken.

Daarnaast hebben mensen de behoefte zich te uiten via een woning. De woning straalt een stukje persoonlijkheid uit. De overheid moet hierbij de balans vinden tussen de belangen van het individu en die van de gemeenschap. Ook heeft de overheid een sociale taak. Groepen met een laag inkomen moeten kunnen meedelen in stijging van de woonkwaliteit. Tot slot zal de overheid de grillige woningmarkt enigszins moeten stabiliseren, zodat te grote risico's voor woonconsumenten (arm èn rijk) achterwege blijven.

Dat betekent echter niet dat de overheid lijnrecht tegenover de markt staat. De overheid moet zich positioneren als onderdeel van de woningmarkt, soms als partij, dan weer als regisseur. De marktwerking is niet per definitie verkeerd. De uiteindelijke doelstelling van de overheid is het tegengaan van marktimperfecties. De scherpe kantjes moeten er als het ware vanaf.

Doorstroming als religie
In de vrije markt wordt er uitgegaan van het doorstromingsgeloof. Als in de dure sector woningen worden gebouwd, stroomt iedereen door. Iedereen klimt een sport hoger op de ladder, zodat onderaan weer ruimte ontstaat voor de 'armen'. Altijd wordt er wel verhuisd, maar in het bouwbeleid bewust inzetten op zo lang mogelijke verhuisketens is riskant en inefficiënt. De verhuisketen kan onderweg 'breken', het kan ruimte geven aan de expansie van de woningvraag van hogere middengroepen, waardoor de woning nooit 'beneden aankomt'. Daarnaast zijn er behalve de prijs meer aspecten aan een woning, waardoor vraag en aanbod niet op elkaar aansluiten. Een arm en groot gezin heeft weinig aan een goedkoop maar klein flatje.

Het gemeentebeleid
De gemeente Breda kiest een gematigder aanpak. Zij legt de nadruk op het vraaggericht werken. Wooncomplexen die niet meer stroken met de vraag, moeten het veld ruimen. De gemeente heeft een verantwoording ten aanzien van kwetsbare buurten. Bij het voorraadbeleid wordt uitgegaan van lange verhuisketens. Derhalve worden geen nieuwe woningen in de goedkope categorie gerealiseerd.

De uitgangspositie is goed: nadruk op keuzevrijheid, op variëteit en op het verruimen van normstelling huur- inkomen. Voor het concrete beleid heeft de gemeente wel de corporaties nodig en andersom. Corporaties moeten (durven) te investeren en ze weten dat ze in de gemeente een betrouwbare partner hebben. Dat is nogal eens een probleem van weerskanten. Maar het is ook een probleem dat corporaties erg individueel met een eigen agenda bezig zijn. En het gaat toch niet alleen om de eigen complexen, maar om de hele buurt, het hele stadsdeel, om de hele stad? Ik lees wel eens wat verslagen en ik zie in een verslag van een bespreking van de Bredase corporatiedirecteuren de passage "er zijn in dit overleg geen onverwachte gezichtspunten naar voren gekomen". Van die dingen dus.

Minpunt in het scenario is het blinde geloof in de eerder genoemde doorstroming. Het blijft dan ook nodig om te blijven bouwen in de goedkope sector. Daarnaast is de gemeente eenzijdig bezig met het vernieuwen van de stad (sloop en nieuwbouw), terwijl geen aandacht is voor nieuwe vormen van wonen. Kortom: de benadering van de thematiek is niet altijd verkeerd, maar het is nog teveel doorspekt met oude dogma's over doorstroming en upgrading. De oversteek naar keuzevrijheid is nog niet echt gemaakt. In dit opzicht lijkt dit scenario ook veel op de nota Wonen van de rijksoverheid: mooie visie, matige uitwerking. Er hangt veel lucht van luxe en kwaliteit, terwijl er weinig concreets staat over sociaal beleid. Het thema van de keuzevrijheid en de variëteit is nog onvoldoende in het beleid doordacht, het blijft allemaal nog teveel hangen.

De GroenLinkse visie
Volgens GroenLinks moet vooral gebouwd worden in de goedkope sector. De helft van alle nieuwbouw moet bestaan uit sociale huurwoningen. De middenklasse en de dure woningen beslaan respectievelijk 30% en 20% van de nieuwbouw. Daarnaast stelt GroenLinks dat de huidige voorraad sociale woningen behouden moet blijven. Om de huren betaalbaar te houden moet de gemeente een huurlastenfonds in het leven roepen. Ook is er aandacht voor diversiteit. Zo moet gedifferentieerd gebouwd worden naar woningtype en prijsklasse. Bestaande woningen moeten worden 'opgeplust'. Voorts wil GroenLinks een fusie tussen de vier (door fusie thans nog drie) bestaande woningbouwcorporaties en hecht waarde aan monumenten en ecologisch bouwen. Wat betreft de VINEX-locaties vraagt GroenLinks om een heroverweging. Deze nieuwe wijken moeten gefaseerd worden aangelegd en het aantal woningen moet naar beneden bijgesteld worden.

In het scenario van GroenLinks (geformuleerd in het verkiezingsprogramma 1999 - 2002) is veel aandacht voor de bouw, de woningnood en de wachtlijsten. Ook is veel nadruk op sociale woningbouw, lage huren en op tempering van de woningbouw, ook in het belang van natuur en milieu. Er ontbreekt echter ook nogal wat.

Er is een onderschatting van de vraag naar kwaliteit, ook bij lagere inkomensgroepen. Hierdoor wordt veel kwaliteitsvraag niet echt geagendeerd. Men is te druk met de vorige oorlog (tegen de woningnood) en daardoor te laat om mee te doen met de nieuwe. En de inzet van de nieuwe is: de massieve drang naar meer zelfbeschikking en meer kwaliteit zó faciliteren dat de kloof tussen rijk en arm niet toeneemt, dat lagere inkomensgroepen mee kunnen doen in de stijging van de woonkwaliteit. Een ander punt is dat er geen duidelijk verhaal is over differentiatie in de stedelijke vernieuwing. Er is nog niet echt werk gemaakt van verscheidenheid. Het blijft nog bij lippendienst.

Het GroenLinks-scenario kent een sociaal vertrekpunt en het is hier en daar groen ingekleurd. Met dit sociale uitgangspunt is niets mis, maar wel met de invulling ervan. Sociaal vandaag de dag is: ruimte geven aan zelfbeschikking en diversiteit. Het is ook actief sturen op het mogelijk maken van meer woonkwaliteit voor wie dat ver-kiest. Het is ook de gehele woningvraag (kwantitatief en kwalitatief) serieus nemen en niet alleen een gelimiteerde doelgroep. Waarom zouden anders twee samenwonende jongeren met elk een bescheiden inkomen (hij werkt bij Praxis, zij bij Albert Heijn), op zoek naar een koopwoninkje GroenLinks serieus nemen?

Nieuw beleid
Als alle scenario's afzonderlijk onvoldoende zijn, moeten ingrediënten uit de verschillende visies gecombineerd worden. De marktstimulansen, met tegengaan van marktimperfecties door de overheid, met ruimte voor zelfwerkzaamheid en diversiteit in aanbod, gecombineerd met een sociaal en groen vertrekpunt dus.

Aan de kant van de woonconsument bestaat een steeds gevarieerdere vraag naar woningen. Flexibiliteit is noodzakelijk. Ook moet worden voorkomen dat het woningaanbod de stijgende kwaliteitseisen niet kan bijhouden. Het huidige woningaanbod heeft lange tijd voldaan, maar begint nu op diverse plekken slijtage te vertonen. Woningen moeten dus in toenemende mate aanpasbaar zijn. Daarnaast moet zekerheid geboden worden in een tijd van onzekere economische voorspoed, welke bovendien oneerlijk is verdeeld. Tot slot moet rekening gehouden worden met de wens van de woonconsument via de woonplek een eigen identiteit aan te meten. Het monotone rijtjeshuis voldoet niet meer.

Kopen mag
Kortom: woningbezit mag, maar dan liever zonder zwaar aangezette overheidssteun. De verkoop van huurwoningen past binnen het beleid tot differentiatie binnen een buurt te komen. Ook stedelijke vernieuwing is gewenst, maar dit moet meer inhouden dan alleen sloop en nieuwbouw. Zie het als een breed palet van aanpassingen aan de woning, de woonomgeving en de juridische relatie tussen bewoner en woning (meer typen van huurcontract). Ga daarbij niet toewerken naar een perfecte mix van de bevolking van de wijk, maar naar profilering en identiteit van de wijk. Maak dus geen probleem van verschillen in bevolkingssamenstelling, maak wel een probleem van selectie die op uitsluiting berust.

De woonruimte moet verdeeld worden, maar niet in de vorm van een plaatsingsbeleid. Laat mensen zelf kiezen. Verander de SWB in een kantoor van het Bredaas aanbodmodel. Denk na over criteria. De overheid moet sturen, niet alles overlaten aan de vrije markt. Dat moet gericht worden op mogelijkheden en niet op uitkomsten. Voor lagere inkomensgroepen moeten goedkope (bereikbare) woningen beschikbaar blijven, in nieuwe wijken maar ook in bijvoorbeeld de randgemeenten. Bij dure huren valt voor deze groep te denken aan huurverlaging. Daar hoort actief woning- en wijkbeheer bij. Daar hoort ook bij dat de gemeente het grondbeleid inzet voor een gezonde stedelijke ontwikkeling: vasthouden van stedelingen, openheid en toegankelijkheid op de woningmarkt.

Stedelijke vernieuwing en herstructurering
Het tempo, de ambitie en de financiële middelen moeten omhoog. Juist in een groeistad moet je goed opletten (het zuigeffect van veel nieuwbouw op oudbouw). Drie principes heb ik eerder geschetst: (zie SWOB, Keuzevrijheid voor woonconsumenten, verslag symposium 25 mei 2000).

  1. Van 'mengen' naar 'keuze'
  2. Van 'gemiddeld' en 'afspiegeling' naar 'verschil' en 'identiteit'
  3. Van 'goedkoop en huur is zwak' en 'duur en koop is sterk' naar 'keuze is een kwaliteit'

Daarbij is er veel grotere mix aan maatregelen nodig dan de fantasieloze verhalen van sloop en verkoop. Er moet meer nagedacht worden over tussenvormen tussen huur en koop, over cascowoningen, atelierwoningen, woon-werkwoningen, over sober en groot, over goedkoop wonen in het groen, over appartementen met allerlei gemaksdiensten aan huis, over flexibele huurcontracten (huur voor tien jaar vooruit betalen of onderhoud voor de eigen rekening bij een lage huur). Meer tempo betekent niet een hogere en een snellere sloop, het betekent wel meer plannen en snellere gemeenschappelijke aanpak. Dit is ook nodig voor complexen die over zes jaar aan de beurt zijn. Er moeten goede beheerplannen zijn met budgetten voor bewoners. Het risico van wachtgedrag, van overlegcircuits en elkaar blijven aankijken is dat zaken op hun beloop worden gelaten, totdat de situatie zo ernstig is geworden dat iedereen zich niets anders meer dan sloop kan voorstellen. Soms wordt ook door eigenaren hier bewust op gestuurd. Ik pleit dus voor méér, vroegere en daardoor ook kleinere aanpakken van stedelijke vernieuwing.

Nieuwbouw en VINEX
De discussie over éénderde-éénderde-éénderde bij de verdeling van het bouwprogramma in goedkoop-middelduur-duur is feitelijk een non-discussie en het krijgt meer en meer het karakter van symbolen. Het gaat om in eerste instantie om de woningvoorraad en daarna om de nieuwbouw. Bij beide, voorraad én nieuwbouw, moet de toegang voor een grote variëteit aan inkomensgroepen gewaarborgd zijn. Een eenzijdig accent op duur of goedkoop is verkeerd. Per locatie en schaalniveau zal bekeken moeten worden hoeveel woningen uit elke categorie geraliseerd gaan worden. De totale som van woningen en woningbehoefte hoeft niet overeen te komen met de verhoudingen binnen de nieuwbouw, maar wel in de totale woningvoorraad van stad en randgemeenten. Met een goed beleid van verdeling en huurbeleid kan de toegang tot de woningmarkt veel beter geregeld worden. En hoe meer goedkope of bereikbare woningen er gebouwd worden, hoe meer je in de bestaande wijken aan intensivering van de stedelijke vernieuwing kunt doen.

Zelfbeschikking
In het beleid moet de zelfbeschikking veel verder uitgewerkt gaan worden. Bijvoorbeeld naar woonlasten (ook goedkoop wonen moet mogen), naar de keuze op de woningmarkt (echt kunnen kiezen tussen huren of kopen, tussen wijken en buurten) en naar aanboddifferentiatie in stedelijke vernieuwing (meer keuzen dan oud en matig of nieuw en goed).

Mijn schrikbeeld is dat onder de vlag van meer keuzevrijheid alles wordt ingezet op hoog, hoog, hoog: hogere woonlasten, hoge luxe, royaal wonen én een grove deling tussen gebieden en onderdelen van de markt naar arm en rijk. Dan wordt de keuzevrijheid ten eerste erg individualistisch ingevuld (weinig oog voor de collectieve waarden) en ten tweede is die keuzevrijheid erg selectief naar boven ingevuld. Het belang van 'sociaal' is niet weg, het moet alleen opnieuw worden ingevuld.

Een vrije marktvariant zal er niet komen: de wal keert het schip wel. De gemeente Breda zal ongetwijfeld nog heel wat gaan uitwerken en het programma van GroenLinks zal vandaag of morgen herschreven worden: niet minder sociaal, wel veel meer toegesneden op de opgaven van vandaag en morgen. Sociaal beleid is keuzevrijheid op de woningmarkt voor iedereen.

Vincent Smit heeft zitting in de VROM-raad en is lid van GroenLinks Breda. Bovenstaand stuk is een weergave van een inleiding die Vincent Smit gaf op de thema-avond over volkshuisvesting, welke GroenLinks op 19 december 2000 heeft gehouden in buurthuis 't Bakkeleijke in Breda.